Elkes antwoord aan Karine Lalieux («La N-VA veut démanteler notre patrimoine culturel»)

Door Elke Sleurs op 28 juni 2016, over deze onderwerpen: Wetenschapsbeleid
KMSKB

Karine Lalieux, Kamerlid voor de PS, verwijt N-VA dat ze het federale culturele patrimonium wil ontmantelen. Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Elke Sleurs dient haar van antwoord.

 

Geachte mevrouw Lalieux,

Eerst en vooral wens ik u te danken voor de mogelijkheid hier te kunnen antwoorden.

Dit laat me immers toe om de verschillende aan mij toegeschreven intenties en interpretaties, die door verschillende media worden verspreid, te weerleggen en laat me ook toe, niet voor de eerste maal trouwens, mijn beleid op basis van het regeerakkoord te duiden.

Inderdaad, een grondige reorganisatie van het federale wetenschapsbeleid is in volle voorbereiding: dit, op basis van het regeerakkoord dat werd afgesloten door 4 partijen.  De focus hiervan is de versterking, via verzelfstandiging, van de federale wetenschappelijke instellingen (FWI) en de oprichting van het Interfederaal Ruimtevaartagentschap van België (ISAB). Voor wat betreft het ruimtevaartagentschap, zijn de onderhandelingen binnen de schoot van de regering in een ver gevorded stadium. Ook de besprekingen ivm de hervormingen van de FWI zijn volop lopende.

Ondertussen wordt er niet stil gezeten en heb ik, in afwachting van de hervormingen, reeds verschillende maatregelen genomen om de FWI te versterken. Meer bepaald zijn er substantiële bijkomende middelen vrijgemaakt voor oa. infrastructuur, apparatuur, beveiliging, publiekswerking en promotie, respectievelijk voor meer dan 11 miljoen, 400.000 en 170.000 €. Ook naar volgend jaar toe zijn reeds voorstellen voor meer bijkomende middelen voorgelegd. Anderzijds wens ik u het besluit van de ministerraad van 27 mei laatstleden in herinnering te brengen. Dit besluit bevat immers de definitieve beslissingen om de broodnodige renovaties aan te vatten van verschillende FWI met museumfunctie. Dit zowel voor de zeer dringend noodzakelijk renovatie van de daken alsook andere structurele werken. Deze envelop bedraagt maar liefst 145 miljoen € federale middelen, dit in deze bijzonder moeilijke tijden én na jaren van verwaarlozing.

Dit lijken me toch eerder acties die overeenstemmen met ‘een verzorgende en genezende behandeling van een zorgzame ouder’ dan het tegenovergestelde.

Wat betreft de deelstaten:

De bevoegdheden, wetenschappelijk onderzoek en cultuur, zijn door de grondwetgever principieel aan de deelstaten toegewezen, waar deze tegelijk aan de federale staat welbepaalde uitzonderingen toewijst. Het federaal wetenschapsbeleid is dus geen eiland.  Vanuit die optiek wens ik de deelstaten mee te betrekken, teneinde de samenwerking tussen de federale en de deelstatelijke competenties te versterken.  Dat het federale niveau input vanuit de deelstaten vraagt, doet bovendien geenszins afbreuk aan de federale bevoegdheid ter zake.  Integendeel, het maakt dat er een continuüm is tussen de federale en de deelstaat bevoegdheden, zowel op gebied van ruimtevaart als kunstcollecties.

Ook uw stelling dat de democratische controle over het patrimonium van de staat verminderd wordt, klopt geenszins met de werkelijkheid. 

Bij de herstructurering van de FWI worden immers juist wel de eenheid en de onvervreemdbaarheid van de collecties als belangrijk criterium naar voren geschoven.  Er wordt zelfs expliciet gesteld dat de collecties eigendom van de federale overheid blijven en slechts in beheer worden gegeven aan de FWI.

Collectiewaardering is een courante, moderne praktijk in binnen- en buitenlandse musea.  Ik kan u in deze, de lectuur aanbevelen van, “Op de museale weegschaal: collectiewaardering in zes stappen” (Assessing museum collections: collection valuation in six steps) een gids voor collectiewaardering, uitgegeven door de Nederlandse Rijksdienst voor cultureel erfgoed. Een dergelijke oefening zal in de FWI gebeuren op basis van hoogstaande wetenschappelijke standaarden, door de experts ter zake (namelijk de FWI zelf). Daardoor worden juist de door u aangehaalde risico’s sterk beperkt. In de praktijk is het immers zo dat onze musea gedurende tweehonderd jaar gebouwd hebben aan hun collecties. In de loop van de geschiedenis zijn stukken verworven die nadien minder op hun plaats in de collecties bleken; in sommige gevallen betrof het zelfs vervalsingen. De vraag of het opportuun is dat de federale overheid blijft investeren in het stockeren van werken die nooit het daglicht zullen zien binnen de federale musea, is dan ook, een meer dan legitieme vraag die voldoet aan de moderne museologie en in het bijzonder aan de techniek van de “museale weegschaal”. In dezelfde oefening worden immers ook de aspecten ‘inventarisatie’ en ‘gericht verzameltraject’ opgenomen. Hiervoor wordt vanaf 2017 ook - voor de eerste maal trouwens- een specifiek budget voorzien. Maw. deze wetenschappelijke manier van werken herleiden tot louter het aspect ‘afstoten van collecties’ is dan ook de waarheid geweld aandoen. 

Ook het verzelfstandigen van de instellingen, zal geenszins de democratische controle verminderen, noch over het beheer van de collecties (deze blijven immers federaal) noch over het beleid van de instellingen zelf (deze blijven immers onderworpen aan controle door de federale overheid). De oprichtingswet zal immers een duidelijk bindend kader bieden waarin de FWI kunnen opereren. Via meerjarige beheersovereenkomsten en oa. regeringscommissarissen zal er controle zijn op de doelstellingen en het beleid van de FWI. De controles op de besteding van de publieke middelen (dotatie) en het beheer van de publieke goederen (collecties) blijven dus even stringent, doch flexibeler. Ook het Rekenhof zal zoals vanouds een grondige controle kunnen uitvoeren van de rekeningen van deze instellingen. Het doel is en blijft een verbetering van de werking van deze FWI. Ik wil geen stilstand van het federaal wetenschapsbeleid, maar vooruitgang.

Over de plaats van cultuur op het federale niveau, kan een lange discussie opgezet worden. Als staatssecretaris ben ik ertoe gehouden de wettelijke regelingen op dit vlak te eerbiedigen. Het kan dan ook volstaan naar deze regelingen te verwijzen. De bevoegdheid cultuur is in de eerste plaats een gemeenschapsbevoegdheid. De plaats van de federale overheid is op dat vlak complementair en wel op twee duidelijke afgelijnde domeinen: de federale wetenschappelijke en culturele instellingen en de niet-communautaire culturele aangelegenheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die het gewestelijk belang overstijgen. 

 

Elke Sleurs

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is